Wat meteen opvalt, is de eenvoud en het gering aantal onderdelen. Logisch: Het ding is natuurlijk ontworpen om zo goedkoop mogelijk geproduceerd te kunnen worden.
Uit het schema blijkt dat vier diodes (D2...D5) zijn gebruikt om een eenvoudig gelijkstroommotortje te voeden. Blijkbaar is dit uiteindelijk een goedkopere oplossing dan het inzetten van een wisselstroommotortje. De juiste spanning voor de motor komt van een spanningsdeler die opgebouwd is uit twee gedeeltes van één van de twee gloeispiralen. Dat is aanleiding voor opgave 1 (opent in kadertje).
| Opgave 1 | X |
In een föhn zitten twee gloeispiralen die in serie geschakeld zijn; een lange (65,0 Ω) en een korte (15,0 Ω). De gloeispiralen in de föhn wordt aangesloten op een spanning van 220 V.
a) Bereken het vermogen dat de gloeispiralen samen dan omzetten.
b) Bereken in deze situatie de spanning over de korte gloeispiraal.
Een motortje wordt parallel gezet aan de korte gloeispiraal. De spanning over de motor blijkt dan 20 V te bedragen.
c) Bereken het vermogen dat de hele föhn dan omzet.
d) Bereken het vermogen dat alleen de motor dan omzet.
Probeer eerst zelf! Bekijk pas daarna de uitwerking.
a) Uit I = U/R en P = I•U volgt: P = U2/R. Dit invullen voor het totaal van de twee gloeispiralen levert: P = (220V)2/(65 Ω + 15 Ω), dus P = 605 W.
b) Uit U = I•R en Ilang = Ilang volgt dat in de spanningsdeler de verhouding tussen U's gelijk is aan de verhouding tussen R's, of te wel: Ukort / (Ukort + Ulang) = Rkort / (Rkort + Rlang). Dit invullen levert: Ukort = 220V•15/80, dus Ukort = 41,3 V.
c) De spanning over de lange gloeidraad is 200 V en zijn weerstand is 65,0 Ω. Dus: I = U/R = 200 V/65,0 Ω = 3,077 A. Dat is ook de stroomsterkte door de hele föhn, dus voor het vermogen geldt: P = U•I = 220 V • 3,077 A = 677 W.
d) De stroomsterkte door de lange gloeispiraal is 3,077 A, de stroomsterkte door de korte gloeispiraal is: I = U/R = 20 V/15,0 Ω = 1,333 A. Het verschil daartussen loopt door de motor, dus: Imotor = 1,744 A. Nu is het vermogen te bereken: Pmotor = U•I = 20 V • 1,744 A = 35 W.
| Opgave 2 | X |
In een föhn zitten twee gelijke gloeispiralen die met de schakelaar S2 in serie met elkaar of parallel aan elkaar geschakeld kunnen worden. Hoe de schakelaar in z'n twee standen contact maakt, is weergegeven in de twee figuurtjes links in het schema.
a) Laat m.b.v. het schema zien dat de gloeispiralen parallel geschakeld zijn als de schakelaar S2 in de 110 V staat.
b) Toon aan dat het vermogen dat de föhn omzet bij 110 V en bij 220 V gelijk is, indien de föhn correct gebruikt wordt.
Probeer eerst zelf! Bekijk pas daarna de uitwerking.
a) In het schema hiernaast zijn twee stroomkringen met een andere kleur aangegeven. Elke gloeispiraal zit in een eigen stroomkring; dat is typisch voor een parallelschakeling.
b) Bij gebruik van 220 V staan de twee gelijke gloeispiralen in serie, zodat over elk van de gloeispiralen de helft van de spanning staat. Bij gebruik van 110 V staan de twee gloeispiralen parallel, zodat over elk van de gloeispiralen dezelfde bronspanning staat. In beide gevallen staat er dus 110 V over elk van de gloeispiralen, waarmee dus ook het vermogen per gloeispiraal gelijk is, en daarmee ook het vermogen van de hele föhn.
De vier diodes D2...D5 zijn direct aan het motortje gesoldeerd en vormen een zo genaamde bruggelijkrichter. Een simpele maar vernuftige schakeling van diodes om de positieve halve golf van een wisselspanning gewoon door te laten en de negatieve halve golf om te keren. Zo worden beide golfhelften benut voor de beoogde gelijkspanning. Verdere uitleg is te vinden op bijvoorbeeld de wiki-pagina over de bruggelijkrichter.
De spanning die uit de brug komt, is wel gelijkgericht maar nog niet afgevlakt. Dat is echter niet nodig voor het motortje in de föhn; dat draait toch wel.

| Opgave 3 | X |
Van een stuk weerstandsdraad, afkomstig van de gloeispiraal in een föhn, wordt de soortelijke weerstand bepaald. Daartoe zijn bovenstaande drie metingen uitvoerd.
a) Geef van elk van de drie metingen aan welke grootheid gemeten werd en wat het resultaat van die meting is.
b) Bereken uit bovenstaande gegevens de soortelijke weerstand van het materiaal waarvan de gloeispiraal gemaakt is.
Probeer eerst zelf! Bekijk pas daarna de uitwerking.
De gloeispiraal is losjes gewikkeld om een langwerpig kruis gemaakt van hittebestendig materiaal. Binnenin zit een (open) schakelaar die zich opent als de föhn te warm wordt, bijvoorbeeld als op een of andere manier de luchtstroom afneemt, bijvoorbeeld door dichthouden van de achterkant van de föhn.
De schakelaar bestaat uit twee contactpunten waarvan één op een veerkrachtige arm. Onder die arm zit een stukje bimetaal. Dat bestaat uit twee laagjes van verschillende metalen. Bij verwarming zetten beide metalen verschillend uit (stof voor een opgave!), waardoor het bimetaal krom trekt. Daardoor wordt de arm weggedrukt, de contactpunten uitelkaar getrokken en daarmee de stroomkring onderbroken. In het schema is dit dus schakelaar S3.
Ook het motortje moest eraan geloven en werd opengesloopt.
Het bleek een uiterst gewoon motortje te zijn: Twee vaste magneten voor het veld in de motor, een rotor met drie spoelen en twee sleepcontacten. Simpeler wordt nauwelijks gemaakt.